De Vlier

Behorend bij het Bomenpad

Heel lang geleden, tijdens de twaalf heilige nachten, maakte Vrouw Holle zich gereed om naar het rijk van de mensen te gaan, zoals elk jaar in de levendige tijd van de jaarwisseling. Zo kwam ze ook over een heide die diep onder de sneeuw lag. Het werd Kerstmis. Vrouw Holle luisterde aandachtig naar het gezang van de bijen in de holle boom en naar de adem van de dieren die onder de sneeuw lagen te slapen, diep in hun warme holen. Ze vernam de stem van het gesteente en het stromen van het sap onder de bast van bomen en struiken. Ze werd de voorjaarverwachting gewaar van alle verwelkte planten en bloemen. Maar daar stond ook een houterige, kale struik eenzaam en verlaten op de besneeuwde heide. Zijn takken kraakten meelijwekkend in de vrieskou van de kerstnacht Vrouw Holle luisterde naar zijn klacht en vroeg aan de struik: “Waarom jammer jij zo?”

Toen klonk het uit de dorre twijgen: “O Grote Moeder, gij hebt al uw kinderen nuttig of mooi gemaakt. De mensen hebben de hazelnoten en de wilgentenen nodig en zelfs de borstelige struikheide drogen zij ’s winters om bezems te binden. Gij hebt het vlas een stevige vezel gegeven en schoonheid aan de bloemen om de mensen te verheugen. Maar mij hebt gij niets gegeven, geen nut en geen glans. Zelfs de armste mensen versmaden mijn broze hout nog om hun vuur te stoken.”

De Witte Vrouw werd ontroerd door deze jammerklacht en ze sprak glimlachend: “Goed dan, ik zie dat je de mensen goed gezind bent en daarom zul je van nu af aan mijn struik zijn. Vlier zul je heten en mij zullen de mensen leren kennen als Vliermoedertje. Daarbij schenk ik je een edele kracht die je waarde zal verhogen onder de andere struiken.” En ze schonk de struik geneeskracht in zijn bast, in zijn sneeuwige bloesem en in het bloedrode sap van zijn bessen.

Toen er kwade tijden aanbraken, waarin de mensen door armoe en ziekte werden geplaagd, ontdekten ze spoedig de geneeskrachtige werking van het vlierbessensap. Toen plantten ze de struik die ze vroeger zo versmaad hadden, in hun tuinen en op hun erven. En in elk dorp groeide en bloeide de gezegende vlierstruik bij de bakoven. Het was een lust voor het oog. Iedereen die gebrekkig en ziekelijk was, dronk van het sap en werd gezond. De kinderen speelden hun liefste kringspelletjes in de schaduw van zijn kroon en de geur van zijn bloesemscherm. Want ze voelden het wel, dat de vlier een kerstgeschenk was voor alle mensen. En al spoedig ging de wijze spreuk van mond tot mond: ‘Vlier doet wonderen.’

Bron: Sprookjes van Vrouw Holle, Karl Paetow. Uitgeverij Christofoor